Sint-Elisabethsvloed

De Sint-Elisabethsvloed, genoemd naar de heilige Elisabeth , vond in 1421 plaats, rond haar feestdag op 19 november 1422. Deze stormvloed was merkbaar langs de gehele zeezijde van Nederland, richtte schade aan in kustdorpen en trof in het bijzonder het riviermondings en zeearmengebied. Bij de verklaring voor de ondergang van de Grote Waard spelen de verveningen een grote rol. Deze zijn in twee vormen te verdelen.

 

De eerste vorm van vervening was de turfwinning ten behoeve van brandstof. Het gevolg hiervan was echter een versnelde verlaging van het maaiveld. Bij een dijkdoorbraak zou dit een grotere instroming van zeewater betekenen. De tweede vorm was de selnering ten behoeve van zout. Het winnen van zout, dat financieel zeer aantrekkelijk was, gebeurde buiten de Grote Waard. Het gevolg van de zoutwinning waren ontgrondingen in het gebied ten zuidwesten van de Grote Waard die de weg voor de zee gebaand hebben, om, beginnende in 1374 vooral bij Broek, steeds weer de dijk van de Grote Waard te breken.

De Hoekse en Kabeljauwse twisten speelden ook een rol bij de ondergang van de Grote Waard. Deze gewapende partijstrijd tussen verschillende steden en adelijke families was ontstaan door een opvolgingskwestie. Als gevolg van deze twisten werden de dijken niet versterkt, terwijl dat dringend nodig was. De dijkversterking bleef achterwege door de ruzie tussen het Hoekse waterschap en het Kabeljauwse stadsbestuur van Dordrecht. Ten slotte was er ook nog het probleem van de afwatering. De uitwateringssluizen bij Broek zijn in de zeewering van de Grote Waard altijd een zwak punt geweest. Aanvankelijk gebeurde de lozing van het overtollige water van de Grote Waard alleen bij Maasdam. Vanaf 1380 ontstond deze mogelijkheid ook bij Broek, maar dit leidde tot een diepe geul voor Broek. Op deze plaats kwamen herhaaldelijk doorbraken voor en ook in 1421 was dit het geval.

Door de Sint-Elisabethsvloed kwam de hele Grote Waard, onder water te staan. Veel mensen verdronken. De brede en diepe doorbraak bij Broek breidde zich onder andere door de interne verdeeldheid enorm uit, voordat de dichting kon worden voltooid. In december van 1421 zorgde hoog opperwater, dat is van boven afkomend rivierwater, ervoor dat onder andere de zuidelijke Merwededijk bij Werkendam doorbrak en dat de Grote Waard ook van de zijde werd geïnundeerd. In 1422 was er weer een stormvloed, die de herstelde dijk van de Grote Waard bij Broek opnieuw deed bezwijken. Deze dijk is nooit hersteld, zodat de Grote Waard open is gebleven en langzaam maar zeker vrijwel geheel is vernield.

De hoge delen van de waard, de Langstraat, Heusden en Altena met bijgelegen dorpen werden afzonderlijk afgedijkt, terwijl gedeelten van de oude dijk, onder andere bij Strijen, steunpunten voor nieuwe polders hebben opgeleverd. Dordrecht werd een eiland op zichzelf.

In de literatuur ontdekte ik de trend dat de gevolgen van de St. Elisabethsvloed steeds meer worden “ingedamd”. Sprak men vroeger nog over 77 verdronken dorpen, tegenwoordig meent men dat er “slechts” zo’n vijfentwintig dorpen zijn verdwenen. Bij een lezing in ‘s-Gravendeel op 16 maart 1994 door archeoloog J. van den Bosch van het S.O.B. werd bovendien verteld dat er bij opgravingen in Strijen nauwelijks iets gebleken was van de Elisabethsvloed. Wel waren er sporen van eerdere en latere overstromingen. Hopelijk wordt in de toekomst duidelijk wat de precieze invloed was van de St. Elisabethsvloed.

Tekst Martine Zoeteman

 Voor meer en aanvullende informatie over de Hoeksewaard ga naar www.zoeteman.net.


Comments are closed